Vallei van de beek Savara, die in de gletsjer van de Grand Etret ontspringt
en na 24 Km in de Dora Baltea uitmondt: de plaatselijke bewoners noemen het eenvoudigweg Dzouëre, beek.
Het is één van de laatste valleien die de mens heeft betreden: geen prehistorische vondsten,
geen teken van Romeinse bezetting. De eerste documenten voeren ons terug tot 1200, maar ook in
de middeleeuwen is de vallei verwaarloosd door de handelswegen. Een betrekkelijke welstand komt
met de koninklijke jachtpartijen van de Savoia familie: er werden huizen gebouwd, wegen en paden
aangelegd. De eerste auto, een Lancia, bereikte het dal –zij het moeizaam- in 1910.
Het is een “vallei uit vroegere tijden”, waar tradities voortduren en het
gekunstelde moeilijk wortel schiet: men leeft nog steeds in harmonie met de natuur.
Detiene breekt het record van de gemiddeld hoogte van de valleien van Valle d’Aosta,
2494 meter; boven kan men van een indrukwekkend schouwspel van de bergen genieten,
bekroond door de top van de Gran Paradiso, de enige berg die vierduizend meter
hoog is en helemaal in Italië ligt.
Tussen de alpenweiden en ijskommen lonken zestien meren, met een totale oppervlakte
van 30 Km˛. De veertien gletsjers bestrijken een oppervlakte van 12 Km˛ en dalen gemiddeld
af tot 2800 meter: samen met het rotsachtige terrein beslaan zij 73% van het hele grondgebied.